Het kameeltje

Er was een oude koning in een zilveren paleis,
hij was heel goed en nobel, en zijn baard was lang en grijs.
Nu moet je weten, dat die koning een kameeltje had,
een lief klein wit kameeltje, dat gewoonlijk naast hem zat.
Hij nam het mee uit wandelen; ’t zat bij hem op de troon
en alle mensen in dat land, die vonden het gewoon,
behalve dan de koningin. Ze kon het niet goed velen.
Ze hield wel van de koning, maar ze hield niet van kamelen.

Toen zei de oude koning: Zit niet altijd zo te vitten
en voortaan moet het lieve dier bij ons aan tafel zitten.
Toen zweeg de koningin een poos. Ze zuchtte en ze sprak:
Hier lieve, neem wat appelmoes en neem een bal gehak.
En het kameeltje zat aan tafel met een grote slab
en het kameeltje kreeg ook soep en rijst met bessesap.

En op een goeie ochtend zei de koning welgemoed:
Ik wil ’t kameeltje mee naar bed, dat vind je toch wel goed?
Nee, zei de koningin beslist, nou zit het me tot hier!
Nu hangt het me de keel uit, dat verschrikkelijke dier.
‘k Wil wel een teddybeer in bed, dat kan me echt niet schelen
en ik wil heus van alles in m’n bed. Maar geen kamelen!

Toen ging de koning schreien, en de hele vloer werd nat.
Hij snikte en hij jammerde: Ik mag ook nooit ’s wat!
Vooruit dan maar, vooruit dan maar, zo zei de koningin.
Nu gaan ze altijd slapen met ’t kameeltje tussenin.
Bekijk het hele versje