Daar een geheime pijn zijn strot toeknijpt
Scroll naar hoofdstuk 12
Hoofdstuk 12
De laatste gedichten

De laatste gedichten

 

In 1994 was Komrij bezig zijn ‘Verzamelde gedichten’ samen te stellen: Alle gedichten tot gisteren. Er kwam een aantal niet eerder gebundelde in, waaronder ‘Harmonie.’ In de handschriftversie leest het als een persoonlijk gedicht

Ik heb een tuin. Daar loop ik ’s avonds in.
Nu ja, niet elke avond. Af en toe.
Vaak ben ik voor dat groeien zonder zin,
En toch zo grondig, na de dag te moe.

Een bloem geeft alles. Maar ze is al dood.
Ik ben gespleten. Maar mij wacht het leven.
Zo zijn wij vaak in niets een bondgenoot.
Een wig lijkt tussen haar en mij gedreven.

Zij wil zich haasten. Ik moet blijven duren.
Ik waak en fragmenteer. Zij bloeit en slaapt.
Soms strookt het. Op zo'n avond, dat ik uren
Door een wijdopen kelk wordt aangegaapt.

Komrij bedacht zich echter, zette een masker op, namelijk dat van de lezer. ‘Ik’ werd ‘je’. Dichtbij, maar altijd nog net wat verder weg dan bij de dichter. Gepubliceerd werd een versie die begon met de regel: ‘Je hebt een tuin. Daar loop je ’s avonds in…’

Hij had zijn vorm gevonden, de P.C. Hooftprijswinnaar, dichter, essayist en polemist wanneer hij daar zin in had. Romanschrijver in een klassieke traditie: virtuoos, stilistisch verzorgd – niet experimenteel maar wél goed. Warm pleitbezorger ondertussen voor de Nederlandstalige en Zuid-Afrikaanse poëzie. Milder zelfs, al durf ik dat woord alleen te gebruiken omdat ik weet dat hij me niet hardop meer kan tegenspreken. Iemand die met zorg waakt over zijn werk.

Tussen de correcties voor een latere editie van Alle gedichten tot gisteren is een verdwaald papiertje terechtgekomen. Er staat een klein gedicht op. Titelloos, niet ondertekend, wel gedateerd op 8 juli 2003:

Ik klauter uit een krater, kaal.
De zon brandt op mijn dunne lijf.

Ik roep om hulp. Mijn stem klinkt schraal
In het omringende gewelf.
Ik heb geen schim of filiaal,
Ik ben vandaag alleen mezelf.

Het is een van de kaalste, persoonlijkste gedichten die Komrij ooit heeft gemaakt. En net als ‘Harmonie’ is deze versie niet de definitieve. Het gedicht wordt twee keer zo lang, maar de ‘ik’ blijft hier wel een ‘ik’. De meeste aanvullingen fungeren vooral als toelichting.

Toch zwakt hij de intensiteit van deze zes regel iets af – met het nieuwe begin ‘Geen mythe of wildwestverhaal / is het wat ik ditmaal opschrijf,’ plaatst hij als het ware een schrijftafel tussen lezer en gedicht. En in het slot neemt hij afstand van vermommingen of maskers, die hij gelijkschakelt met het begrip literatuur.

Ik kan mij niet beroepen op
een stand-in of een stijlfiguur,
een schuilnaam of een ledenpop.
Er is geen spoor van literatuur.

Door het woord te benoemen, sluipt de literatuur er alsnog in, en zo wordt dit een typisch Komrij-gedicht met een dubbele boodschap. Eén correctie is veelzeggend. In de definitieve versie staat: ‘Ik roep een zin. Het klinkt te schraal.’ Daarin hoor je een schrijver zijn tekst uitproberen. Maar in dat kladje stond wat anders.

‘Ik roep om hulp.’

 

Daarom komt die regel in de ongepubliceerde versie veel harder aan. Daar vormt die de slotsom, het ergste wat Gerrit Komrij kon overkomen: ik ben vandaag alleen mezelf.

Colofon

Tekst:  Bertram Mourits
Redactie:  Daan Cartens, Jef van Gool, Nadine van Maanen
Beeldredactie i.s.m. Dick Welsink
Eindredactie:  Aafke van Hoof

Behalve uit Komrij's eigen werk is er vooral geput uit Onno Bloms Schrijversprentenboek: Het fabeldier dat Komrij heet, het speciale nummer van Bzzlletin (1980/75), het stuk van Wim Sanders uit De Parelduiker en een eigen stuk uit Poëziekrant (2005/5).