Brieven in tijden van afzondering #2: ‘Ben jij eigenlijk ergens bang voor deze periode?’

Het heeft iets wonderlijks, iets paradoxaals ook, zijn Thomas Heerma van Voss en Roman Helinski het eens in hun tweede set brieven. Ondanks de buitengewone omstandigheden lijkt er in een bepaald opzicht niets veranderd. ‘We wennen ongelofelijk snel aan iets wat we tot voor kort voor onmogelijk hielden.’ (Lees hier het eerste deel van de briefwisseling.)

11 april 2020, Amsterdam

Dag Roman,


Mijn kat heet Billy en begrijpt niet waarom ik steeds thuis ben. Hij rent ongewoon veel met dikke staart door mijn woonkamer, laat zich opjutten door de duiven en ganzen die tot hun hoorbare verbazing min of meer vrij spel krijgen rondom mijn appartement, en steeds vaker gaat hij bij de voordeur staan, op zijn achterpootjes, krabbend aan het hout en halfslachtig graaiend naar de deurklink. Alsof hij me wil laten zien dat ik die moet indrukken, kijk, hierachter is frisse lucht, daar bevindt zich de wereld die jij ineens zo stellig negeert. 

Het vreemde van deze situatie is natuurlijk dat er van ons massaal wordt gevraagd om niets te doen, zo min mogelijk de straat op, met een grote boog om anderen heen lopen, en al helemaal niemand aanraken – daar is niets heroïsch aan. Jij gebruikte in jouw brief het woord ‘loopgraven’, Roman, en zulk oorlogsjargon glipt voortdurend de taal in die nu wordt gesproken, ik zag het woord eerder in meerdere coronacolumns voorbijkomen, ik hoorde het tijdens algemene beschouwingen. Dagelijks wordt benadrukt dat we in een opperste crisis verkeren, dat we in zekere zin een oorlog uitvechten. Is dit de eerste oorlog die van de meeste mensen vraagt vooral niets te doen? 

Je citeert Ter Braak, wat me sowieso van tijd tot tijd een nuttige bezigheid lijkt, corona of niet, en wat ook bij dat oorlogssentiment past. Ik las vanochtend verder in zijn correspondentie met E. du Perron – eigenlijk wilde ik persoonlijke schrijfsels van Keilson lezen, naar wie ik in mijn brief al verwees, maar die zijn niet gedigitaliseerd en liggen dus buiten mijn bereik in het Literatuurmuseum – en vreemd genoeg blijft de toon lang nogal monter. Ondanks de terloopse verwijzingen naar Hitler en naar de oorlog die al op het punt van losbarsten staat. E. du Perron en Ter Braak schrijven eindeloos over schrijfplannen en artikeltjes, over verhalen en literaire gebeurtenissen – je kunt je afvragen of dat een overlevingsmechanisme of onnozelheid is, je kunt je ook afvragen aan welk van die twee een mens in crisistijd meer heeft.

 

Menno ter Braak (links) en E. du Perron in Spa in 1932 (collectie Literatuurmuseum)

 

 

Mij viel vooral iets anders op: het gemak waarmee ze hun alledaagse activiteiten voortzetten, ze registreren het gedonder in de verte wel maar laten dat verder zo goed als het gaat langs zich heen aan. Tegenwoordig is dat onmogelijk. Ik kan mijn telefoon niet pakken zonder updates over de ziekte te zien, zelfs als er eigenlijk niets te updaten valt; er zijn de onvermijdelijke rijen bij de supermarkt, de mondkapjes, afgelaste evenementen, en zelfs tijdens mijn blokjes om tijdens daluren duwen winkeletalages de ziekte wel weer mijn gezichtsveld in: hopelijk snel weer open, #SupportyourLocals.

 

Het heeft iets wonderlijks, iets paradoxaals ook: in bepaald opzicht is er niets veranderd om mij heen, ik heb het geluk dat er vooralsnog niemand in mijn omgeving ziek is, iedereen die ik ken woont op dezelfde plaats, doet in meer of mindere mate hetzelfde werk, en toch voelt alles anders. En kunnen wij onmogelijk, zoals Ter Braak en Du Perron dat nog eventjes volhielden, onveranderlijk en schijnbaar onaangedaan, doorgaan met waar we mee bezig waren – waar zij vanzelfsprekend ook mee stopten. 

 

Op 10 november 1939, dus vrij ruim na het citaat dat jij aanhaalde, schreef Ter Braak een zoveelste briefje aan Du Perron: ‘Ik hoop zeer, dat dit alles overdreven zal blijken te zijn geweest, maar ik wil je toch even waarschuwen, zoodat je maatregelen zou kunnen treffen om te verhuizen. Ik denk, dat het bij een vliegveld nu niet bepaald bijzonder veilig zal zijn; en waarom zou je jouw, Beps en Alains leven riskeeren, waar het niet noodig is.’ 

Uit jouw brief maak ik op dat je al weken bezwaard bent om naar buiten te gaan, Roman. Is dat omdat jij ook het idee hebt dat jij je leven anders onnodig riskeert, zij het in heel andere mate dan je voorgangers? Of voelt het eerder als plichtsbesef, een bescheiden manier om als zelfverklaard buitenstaander de maatschappij toch nog enige dienst te bewijzen?

En wat denk je, zal dit uiteindelijk, als je over jaren terugblikt, een kantelpunt zijn in onze levens? Voortdurend duiken er artikelen op over wat we van dit alles kunnen leren. En de vraag of we dit alles kunnen vasthouden. De lucht is schoner dan ooit, wereldwijd duiken er dieren op die zich gewoonlijk schuilhouden, vanochtend las ik dat vanuit India de Himalaya-toppen voor het eerst in jaren weer zichtbaar zijn. Denk jij dat wij daar iets van leren, stemt dat jou te midden van dit alles enigszins hoopvol?

Mij lukt het maar niet om optimistisch te worden. Ik draai hiphop, inderdaad, dat schatte je goed in, op tamelijk hoog volume. Ik lees, ik kook meer dan ik gewend ben en eet bovengemiddeld veel chocola, ik probeer me niet al te veel te laten afleiden door alle afgezegde voordrachten rondom mijn nieuwe boek of door de afwezigheid van elk fysiek contact, ik wandel door de lege binnenstad, ik heb in recordtempo Ozark bekeken, en hoewel ik verder weinig verplichtingen heb, voelt het toch op de meeste dagen niet alsof ik extra vrije tijd heb.

Overigens is Billy eigenlijk niet mijn kat, het is de kat van mijn ex. In de zomer gaat hij naar haar toe – deze periode voelt als een innig, uitgesteld afscheid. Wanneer hij naar de deurklink hengelt til ik hem op en leg hem op mijn schouder, ik beeld me graag in dat hij dan ook van mij afscheid neemt. Twee weken geleden berichtte mijn ex dat ze het fijn vindt dat hij nog bij mij zit. Ik wist niet helemaal hoe ik dat moest opvatten – zag ze al voor zich hoe ik in afzondering verpieterde, mist zij hem niet? – maar ik waardeerde het bericht. En ik weet nog dat ik dacht: als Billy naar haar verhuist, zal deze coronacrisis wel weer min of meer zijn uitgewoed, dan kan ik eindelijk weer eens op reis zonder kattenoppas te regelen. Die gedachte voelt inmiddels alweer vervreemdend gedateerd aan, en dat vind ik nog wel een van de raarste elementen van deze periode: de snelheid waarmee de standaard verandert, en waarmee je went aan iets wat je kortgeleden nog voor onmogelijk hield.

Groeten weer,

Thomas

15 april 2020, Amsterdam

Thomas,


Beloof me dat Billy bij jou blijft tot de crisis is afgelopen, ook als die langer duurt dan tot aan deze zomer. Verzin een list, beroep je op artistieke afhankelijkheid van het beest. Je schrijft dat je moeite hebt om optimistisch te worden te midden van dit alles. Wat is er fijner dan een kat die af en toe op je toetsenbord komt liggen terwijl je aan het werk bent?

Ik ben jaloers op het gezelschap, want zoals je weet heb ik zelf geen huisdier en enig leven in huis lijkt me heerlijk. Los van die behoefte gaat het – nog steeds – goed met me. Ik werk wat, skype veel, kook uitgebreider en kijk af en toe een aflevering van Love is Blind. Misschien is dit voor het eerst van mijn leven het moment om te zeggen dat alles z’n gangetje gaat. Het klopt wat je schrijft: we wennen ongelofelijk snel aan iets wat we tot voor kort voor onmogelijk hielden.

En inderdaad, ik kom weinig buiten. Dat heeft niet te maken met angst voor mijn eigen gezondheid, ik blijk gewoon erg plichtsgetrouw te zijn. Ik verbaas mezelf hoe overdreven goed ik de maatregelen opvolg. Als ik buiten ben smokkel ik geen meter, ik beweeg me in een rechte lijn naar de supermarkt en weer terug. Snel zoek ik mijn boodschappen uit, waarbij ik alles wat ik vastpak meteen in mijn winkelkar gooi omdat ik niemand in gevaar wil brengen. Kiwi’s en avocado’s neem ik zonder erin te knijpen mee naar huis, met het gevolg dat mijn fruitschaal doorlopend gevuld is met hard onrijp fruit.

Pas sinds een paar dagen gun ik mezelf de vrijheid om door het park tegenover mijn huis te lopen, zoals ik voortdurend mensen zie doen. Als ik een leeg bankje tegenkom, ga ik zitten en lees in de nieuwe editie van de verzamelde verhalen van Isaak Babel. Eén, twee, heel soms drie verhalen neem ik tot me, dan ga ik weer naar huis, zodat er plek voor andere mensen in het park vrijkomt. Al een paar dagen speel ik met het idee in te gaan op het aanbod van een vriend om op een trapveldje te voetballen. Even alles vergeten en een bal op doel schieten. Maar ik app hem steeds: ‘Laten we volgende week kijken.’ En dan trap ik de bal nog maar eens door mijn woonkamer en daarna stof ik de plinten af en mest op zolder verhuisdozen uit waarnaar ik jaren niet heb omgekeken.

Mijn laatste roman De wafelfabriek gaat over volgzaamheid, en ook in de nieuwe roman waaraan ik schrijf speelt dat thema een rol. Ik ben altijd geïntrigeerd geweest door mensen die makkelijk anderen volgen. Geïntrigeerd door en een beetje bang voor. Net zoals ik angst ken voor het tegenovergestelde: volkse ongehoorzaamheid. Ik vraag me deze dagen af hoe dun de lijn is die loopt tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid. Hoe lang kunnen we ons neerleggen bij de huidige ingrijpende beperkingen? En als ons dat niet meer lukt, wat gebeurt er dan? Het is geen specifieke of reële angst voor ons land, volgens mij gaan er heel wat stormen overheen voordat de spreekwoordelijke dijken hier breken. Het is vooral angst op papier, de hang van een schrijver om achter de angst op zoek te gaan naar een verhaal om te vertellen.

Ben jij eigenlijk ergens bang voor deze periode, Thomas? 

Ik dacht nog na over Menno ter Braak en E. du Perron, van wie de toon in de brieven inderdaad monter blijft midden in oorlogstijd. Is dat in plaats van onnozelheid niet nonchalance? Zoals je weet zat mijn vader een paar jaar in de gevangenis in Amerika. Hij schreef me brieven, die ik een keer las en in een doos stopte. Tijdens het opruimen op zolder kwam ik de doos tegen en ik las zijn brieven opnieuw. Wat meteen opviel: de opgewekte toon, de warmte waarmee hij de gevangenis en zijn medegevangenen typeerde. Ondanks de vele problemen die mijn vader had (je belandt natuurlijk niet zomaar in de gevangenis) was hij een positief man, en gevangenschap bracht die instelling getuige zijn brieven niet aan het wankelen. Waarschijnlijk zou hij vanuit een oorlog op dezelfde toon aan me hebben bericht.

Ik vraag me wel eens af hoe ik zou reageren in situaties zoals gevangenschap of aan een oorlogsfront. Hoe zou mijn toon zijn? Hoe is mijn toon op dit moment, in een weliswaar totaal onvergelijkbare situatie, maar toch? 

Op het bankje in het park lees ik ook essays van Stefan Zweig uit het melancholische De wereld van gisteren, onder meer over de twee grote oorlogen die hij meemaakte. Hij schreef het boek aan het einde van zijn leven, met distantie en doortastendheid. Ik ben ervan overtuigd dat het boek zo goed is omdat hij deze afstand heeft tot zijn onderwerp, omdat zijn herinneringen in zijn hoofd hebben liggen gisten en hij zodoende dwarsverbanden in de tijd heeft weten te leggen. Al die kranten en talkshows die nu per se willen duiden in welk heden we zijn beland en veel te vroeg krampachtig vergezichten proberen te schetsen zouden beter dit werk van Zweig kunnen bespreken, want hij laat zien hoe samenlevingen onder druk komen te staan, hoe ze ten goede én ten kwade veranderen en hoe ze weer kunnen opveren na tegenslag.

En toch, ondanks mijn geloof dat we in deze crisis nog weinig zinvols over de betekenis ervan kunnen opmerken, laat ik me verleiden de centrale vraag uit je brief te beantwoorden. Wat betreft dat eventuele kantelpunt in onze tijd: ik geloof er niet in dat we dit kunnen vasthouden. Ik las in Trouw afgelopen maandag een betoog van 170 wetenschappers waarin werd opgeroepen de crisis aan te grijpen voor een reset van onze samenleving; groener, minder consumentisme, minder de economie leidend laten zijn. Een hartverwarmende boodschap, maar ik denk dat we er niets mee gaan doen, dat we de komende jaren meer mondkapjes opslaan, miljarden naar de WHO sturen als symbolische afkoping van een mogelijk toekomstig pandemisch noodlot en vervolgens doodleuk terugkeren naar onze wereld van gisteren.

Blijf binnen!

Roman