‘Een dichterlijk mens, innerlijk bezeten door duivelse machten’ – het psychiatrisch rapport over Gerrit Achterberg

Gerrit Achterberg geldt nog altijd als een van de belangrijkste Nederlandse dichters. Toch komen vroeg of laat de gruweldaden uit zijn privéleven ter sprake, en de psychische onderzoeken en diagnoses die erop volgden. Thomas Heerma van Voss bekeek de psychiatrische rapporten die in het Literatuurmuseum bewaard worden.

 

Op 21 april 1938 stelde de ‘Commissie van Voorlichting in Strafzaken in het Arrondissement UTRECHT’ een rapport op over een man van tweeëndertig jaar. ‘Hij deed zich kennen als een eenzelvig, egocentrisch jongmensch. Hij kon moeilijk met zijn collega’s en andere menschen opschieten en kwam daardoor voortdurend in conflict met zijn omgeving.’ 

 

Er wordt opgemerkt dat hij zijn vrije tijd grotendeels besteedde aan schrijven en dat hij met toenemende minachting naar zijn omgeving keek; hij kon zijn werk als docent qua niveau wel aan, maar haalde er weinig voldoening uit. ‘Op de Paul Krugerschool in den Haag kwamen verschillende klachten over een minder gewenschte verhouding met meisjes uit zijn klas. (…) Verdachte zelf erkent, dat hij zich aan de meisjes heeft vergrepen.’ 

 

Ook gaat het rapport in op de jeugd van de verdachte. Zijn vader was een pachtboer die ‘steeds vrij goed in het onderhoud van zijn gezin [heeft] kunnen voorzien. Beide ouders van verdachte staan als achtenswaardige, werkzame, christelijke menschen bekend.’ Verdachte was de twee na oudste in een gezin van negen kinderen. ‘Omtrent de broers en zusters van verdachte kregen wij de gunstigste inlichtingen.’ De eerste levensjaren van verdachte worden ‘normaal’ genoemd. Hij presteerde goed op school, zorgde niet voor problemen. Zijn afzondering kwam pas toen hij voor de klas ging staan. Wel wordt over zijn vroegste jeugd opgemerkt dat er al sprake was van ‘gevallen van psychische invaliditeit’, en vermeldt het rapport: ‘Toen verdachte 5 jaar oud was, is hij van de trap gevallen, een zeer ernstige hersenschudding was hiervan het gevolg.’ De suggestie is duidelijk: mogelijk heeft die val iets te maken met zijn latere verwarde gedrag – en met de moord waarvan hij verdacht wordt. 

 

Gerrit Achterberg (1905-1962) geldt nog altijd als een van de belangrijkste dichters uit de 20ste-eeuwse Nederlandse literatuur. Zijn werk werd bekroond met onder andere de P.C. Hooft-prijs en de Constantijn Huygens-prijs. Toch komt zodra zijn naam valt vroeg of laat die gruwelijke dag uit zijn privéleven ter sprake: op 15 december 1937 schoot Achterberg zijn hospita Roel van Es dood en verwondde hij haar 16-jarige dochter Bep, die hij had geprobeerd te verkrachten. De jaren hierna verbleef Achterberg in talloze inrichtingen, en het duurde een kleine twintig jaar, tot 1955, voordat zijn tbs werd opgeheven. Dit nam niet weg dat Achterberg in onvermoeibaar hoog tempo poëzie kon blijven publiceren en daar ook, zeker in de jaren veertig, volop waarderende aandacht voor kreeg. Pas tegen het einde van zijn leven, en zeker na zijn dood, kwam het publiekelijke accent meer te liggen op de gruweldaden uit Achterbergs privéleven, en de psychische onderzoeken en diagnoses. 

 

 

Gerrit Achterberg in de jaren ’40. Foto: collectie Literatuurmuseum

 


Het heeft iets vreemds om de rapporten nu te lezen: ze zijn duidelijk niet voor buitenstaanders bedoeld, laat staan voor publicatie, en Achterberg heeft logischerwijs niets meer te zeggen over wie de gegevens te zien krijgt. Maar de informatie uit deze rapporten – een flinke hoeveelheid die in het Literatuurmuseum bewaard wordt – is grotendeels al aangehaald in biografische publicaties over Achterberg, waarin geciteerd werd uit de psychiatrische onderzoeken naar zijn gesteldheid. De Commissie Medische Ethiek van het Leids UMC boog zich aan het begin van deze eeuw zelfs al over de vraag of het verantwoord is om te citeren uit de Achterberg-rapporten, en kwam tot een eenduidige, bevestigende conclusie: ja, het is bij Achterberg verantwoord, er worden geen medische of privacy-voorschriften mee doorbroken. Hierbij speelt overigens ook mee dat Achterberg geen nazaten heeft (die bezwaar zouden kunnen maken tegen publicatie of citaten). 

 

De vraag die in de rapporten centraal staat is niet: heeft Achterberg gedaan waarvan hij verdacht wordt? Hij gaf zich aan bij de politie, zijn schuld stond geen moment ter discussie. (Hoewel hij aanvankelijk zei dat hij niet zeker wist of hij geschoten had; later verklaarde hij dat hij eigenlijk zichzelf wilde doodschieten.) De vraag die in de rapporten naar voren komt is een andere: in hoeverre is hij toerekeningsvatbaar voor zijn gedrag, of slechts gedeeltelijk, of helemaal niet? Wat opvalt bij het uitgebreide evalueren van Achterbergs karakter en levensloop – die twee worden steeds min of meer verbonden, er vallen talloze citaten zoals in de openingsalinea’s van dit stuk te geven – is dat 15 december volgens deze rapporten niet een afzonderlijk, afwijkend incident was, eerder een verhevigde uiting van gedrag dat al vaker bij Achterberg opspeelde.


 

 

Eerder, in de jaren twintig al, was Achterberg verloofd met een vrouw die hij ‘zonder eenige aanleiding mishandelde’. Nadat zij de verloving verbrak, viel hij haar nog tijden lastig. ‘Eens zelfs trachtte hij met haar in aanraking te komen met de bedoeling haar en zichzelf van het leven te berooven.’ De revolver die hij toen bij zich had, werd hem afgenomen. Er volgde een nieuwe verloving, die weer door de vrouw werd afgebroken; ten minste een van deze twee vrouwen werd door Achterberg verkracht, en dezelfde revolver dook ook bij de tweede verloving op. Achterberg bedreigde zijn nieuwe verloofde met de dood en gaf aan zichzelf te willen doden. Voor dit gebeurde, werd hij echter naar de Neurologische Kliniek te Utrecht overgebracht, waar hij in 1932 al vier weken bleef – toen was hij verder gewoon nog docent in Den Haag. 

 

‘De persoonlijkheid van verdachte te beschrijven is geen gemakkelijke taak,’ zo vermeldt een van de rapporten. ‘Wij willen dan ook niet de pretentie hebben te meenen, dat wij in het navolgende een volledig beeld van verdachte geven.’ Wel wordt duidelijk gesuggereerd dat Achterberg zijn gedrag in de loop van de jaren dertig steeds slechter onder controle kon houden en leed aan steeds hevigere agressie. Het woord ‘egocentrisch’ valt vaak in de rapporten, ook wordt hij ‘onverschillig’ genoemd, ‘overspannen’, ‘impulsief’, ‘overgevoelig’, ‘labiel’, ‘intelligent’, ‘jaloers’, ‘achterdochtig’ – adjectieven die allemaal understatements lijken bij de conclusie die in een later rapport wordt getrokken: ‘Naar onze mening is verdachte een psycopaath’. Even verderop gaat het om ‘een gevaar voor de gemeenschap’ en wordt opgemerkt dat verdachte ‘geen enkele uiting van schuldbesef’ toont en dat ‘zijn redeneeringen verward’ overkomen. 


Er zijn aparte rapporten opgesteld over Achterbergs seksuele ontwikkeling (hij was ‘een mateloze onanist’), over zijn band met zijn ouders, over zijn literaire loopbaan, over zijn verbroken relaties. ‘Zelden is aan een strafzaak zooveel en zoo degelijke psychiatrische deskundigheid besteed als in het onderhavige geval (…).’ Elders valt te lezen: ‘Verdachte veranderde nog al gemakkelijk van liefde-object. (…) Verdachte had er slag van zijn vrouwelijke kennissen te biologeeren, en, had hij ze eenmaal aan zijn wil onderworpen, dan ontzag hij zich niet hen te tyrannisseeren.’ 

 

 

 

Wat laat dit alles zien? Dat Achterberg als psychiatrisch patiënt niet (helemaal) verantwoordelijk gehouden kon worden voor wat hij had gedaan? Deze vraag zweeft boven alle rapporten. Achterberg moest onder meer een rorschachtest uitvoeren: ‘Onderzochte blijkt sterke beelden te hebben in dien zin, dat hij een eenmaal opgevat beeld vasthoudt en er steeds meer met het geheel kloppende details in ziet.’ 

 

Andere onderzoeken die in het huis van bewaring werden uitgevoerd – ‘cijferreeksen vervolgen’, ‘spreekwoorden’, ‘zinnen nazeggen’, ‘de associatielijst’ – leken aan te tonen dat Achterberg de ‘voor hem ondragelijke spanning’ (inderdaad) wilde beëindigen door zelfmoord te plegen. En over de bewuste decemberdag werd genoteerd: ‘Het begon er mede, dat hij de dochter, die hem thee kwam brengen, ontving met ontbloot en geërigeerd lid en haar onder verzet tegen zich aandrukte met de woorden: “Ik wil je neuken”. De dochter riep om hulp aan de moeder; toen deze op de kamer kwam, heeft hij de revolver voor den dag gehaald.’ 

 

Je kunt je afvragen: waarom wordt dit alles nu opgerakeld? Kennen wij Achterberg niet vanwege zijn werk en wordt ons niet geleerd de kunst van de kunstenaar en dus van de mens te scheiden? In het geval van Achterberg is dat tamelijk moeilijk. Allereerst omdat de dood, en zelfs specifieker: het opwekken van een verloren geliefde uit de dood, een centraal thema is in zijn poëzie. Ten tweede speelt Achterbergs poëzie een belangrijke rol in deze psychiatrische rapporten; tijdens onderzoeken blijkt meerdere keren dat Achterberg zijn gedichten veruit het belangrijkste vindt van wat hij doet en in de verslagen wordt beschreven dat alle positieve aandacht ‘een zeer verkeerde uitwerking op verdachte’ had. ‘Deze, toch al reeds onevenwichtige mensch, schijnt daardoor nog veel meer uit het lood geslagen te zijn.’

 

Elders merkt een psychiatrisch specialist droogjes op: ‘Ongetwijfeld heeft hij ook enkele mooie gedichten gemaakt. De meeste spreken echter van dood, bloed, tranen en van zinnelijke liefde, ze zijn verward en onbegrijpbaar (hetgeen wel aan den rapporteur zal liggen).’ Weer ergens anders: ‘Wat hij innerlijk beleeft en heeft beleefd, wat hij in de verbeelding deed, blijkt voor hem wezenlijker, men zou haast zeggen: reëler dan het resultaat in de realiteit.’ 

 

 

Gerrit Achterberg ontvangt de P.C. Hooft-prijs van minister Cals, 20 mei 1950. Foto: collectie Literatuurmuseum

 

 

Soms worden teksten van schrijvers (of muzikanten) door het publiek tegen hen gebruikt, alsof ze de objectieve werkelijkheid beschrijven – denk aan de rechtszaken tegen Reve en Hermans, recenter aan de ophef rondom het debuut van Robert Vuijsje. Bij Achterbergs werk lijkt in het psychiatrisch domein het omgekeerde te gebeuren; zijn poëzie wordt, getuige dit laatste citaat, in de rapporten bijna gezien als argument om hem niet volledig verantwoordelijk te houden voor zijn daden. Zijn gedichten toonden (en tonen) immers al aan dat hij zich structureel afzonderde van de werkelijkheid, dat hij graag vluchtte in de wereld van de fantasie. 

 

Het concept van de ‘goddelijke’ of ‘gekwelde’ kunstenaar voelt anno 2020 gedateerd aan, toch merk je dat de impliciete gedachte in sommige van deze rapporten is: wie weet is dat wat Achterbergs poëzie zo goed maakt – het grillige, het afwijkende, het losstaan van de werkelijkheid – ook wel hetgeen dat hem tot deze geweldsdaden heeft bewogen. En ja, misschien heeft Achterberg op die decemberdag in 1937 buiten zijn werk wel voortgezet wat hij in zijn poëzie, die veelvuldig uitdraaide op een uitgeschreven ‘experiment met de dood’, al jaren aan het onderzoeken was. En misschien werd er op 9 mei 1938 daarom al geconcludeerd dat hij leed aan een ‘ziekelijke ontwikkelingsstoornis’ en ‘dat hem het ten laste gelegde niet kan worden toegerekend’, en dat ‘“genezing” binnen afzienbaren tijd niet te verwachten is’.

 

En misschien ligt uiteindelijk hierin een half antwoord besloten op die vraag die ook in de rapporten keer op keer terugkomt: ‘hòe het mogelijk is, dat een volwassen man, die de allures heeft van een bezonnen, ontwikkeld, beschaafd en zelfs wel in den besten zin dichterlijk mensch, innerlijk bezeten blijkt door “duivelsche” machten’.