Grand young man

door Yannick Dangre

Remco Campert is zondag 28 juli negentig geworden. Die mythische leeftijd is voor Yannick Dangre aanleiding voor een terugblik naar het prille begin, toen hij door Simon Vinkenoog werd betrokken bij een groep experimentele dichters die naar Parijs trok.

 

De onverwoestbare, onverminderd zijn sjekkies rokende Remco Campert viert vandaag zijn negentigste verjaardag. Zo’n mythische leeftijd schreeuwt om een terugblik, en waarom niet meteen naar het prille begin, toen de grand old man van de Nederlandse letteren nog een jonge bolleboos was die zijn eerste literaire stapjes zette. Ik stel me voor hoe de grote Remco er zelf nog wel eens aan terugdenkt, en dan zal in zijn herinnering onvermijdelijk Simon Vinkenoog (1928-2009) opduiken. Het was met – en voor een deel zelfs dankzij – hem dat de nog ongepubliceerde Campert op het voorplan kon treden. Vinkenoog betrok hem immers bij de groep experimentele dichters die naar Parijs trok en de rest is, zoals ze zeggen, geschiedenis.

 

Gelukkig is er een neerslag van die geschiedenis, want de brieven die beide hemelbestormers elkaar begin jaren vijftig schreven zijn netjes bewaard in het Literatuurmuseum. Nu ik zelf zo langzamerhand de leeftijd bereik waarop je noodgedwongen op jezelf terugblikt als the artist as a young man, was er natuurlijk geen toepasselijkere zomerlectuur denkbaar.

Lichtvoetige zelf

 

Wat me in hun brieven onmiddellijk opviel, was dat Campert ook als prille twintiger al zijn lichtvoetige zelf was en een broertje dood had aan al die doodernstig ‘scheppende’ dichters. Zijn epistels baden in de mild ironische toon die we zo goed van hem kennen, en bulken dan ook van de humor en schertsende zelfanalyse. Zo antwoordt hij zijn kompaan dat hij niet mee kan naar Spanje, want:

 

Ook heb ik nog steeds geen rijbewijs, omdat ik er maar niet toe kom om rijlessen te nemen, iets voor psychiaters, waarschijnlijk in verband met mijn angst voor examens, die mij ook al verhinderde om de middelbare school af te lopen. Misschien ook wel iets heel anders, de wetenschap staat nog in de kinderschoenen.

Zoals altijd mikt Campert eerder op de zachte glimlach dan op de schaterbui met terloopse opmerkingen als ‘er komt een bundel van me uit, beter dan de vorige, maar nu ook niet om te gillen’, of in kleine tussenzinnetjes midden in een brief: ‘wacht even, nu moet ik een sigaret rollen.’

Om het geheel nog vrolijker te maken voegt de jonge Remco tekeningetjes toe aan zijn brieven, evenals krantenkoppen die hij verknipt heeft en vervolgens vilein weer aan elkaar plakt om miniatuurgedichtjes te vormen als:

Woman’s Body

with its beautifully flowered gardens

has an atmosphere of its own

It is the meeting-place of International Society

Nu weten we allemaal dat humor het bindmiddel is van een vriendschap, maar ook de kruiden mogen niet ontbreken, met andere woorden: ook deze twee roemruchte Vijftigers bezondigen zich aan een gezonde portie achterklap. Campert smeekt zijn schrijfbroeder dan ook om een brief ‘met veel roddels, literaire, niet-literaire, over vriend en vijand en wat je maar wil’. Zo vinden ze Kousbroek ‘geen goed dichter (maar dat is TOP SECRET)’, Hermans en Reve ‘verstard’, Mulisch ronduit ‘een klootzak’ en loopt Campert zozeer over van heimelijke bewondering voor Lucebert dat diens gedichten hem ‘de neiging geven om mij snikkend op het bed te werpen, zo goed vind ik ze’.

Ook liefde en seks ontbreken niet (Vinkenoog bekent onder andere dat zijn geliefde Rory zich nog elke nacht aan hem vastklampt maar ‘haar laatste uur heeft geslagen’, en Campert vraagt zijn penvriend dan weer om vooral nog meer vieze plaatjes bij zijn brieven te voegen).

 

Remco Campert in 1956, door F. Harmsen van Beek die hij op het Boekenbal van dat jaar had ontmoet

Een golf van herkenning ging dan weer door me heen bij de opmerkingen over het eeuwige geldgebrek, waar elk rechtgeaard dichter natuurlijk last van heeft. Vooral Campert zit krap bij kas, want Vinkenoog heeft in Parijs tenminste nog een baantje bij de UNESCO, wat hem een vast inkomen verschaft, evenals de gelegenheid om papier te snaaien, dat hij gul opstuurt naar zijn armlastige poëtische collega’s. Af en toe kan er zelfs een leninkje af, al leidt dat er meermaals toe dat Campert schoorvoetend moet bekennen dat hij zijn vriend niet kan terugbetalen. Ook nu weer probeert hij de dingen met een grapje te verzachten, want hij smeekt Vinkenoog hem ‘nooit meer geld te lenen’ en houdt volgende hilarische tirade:

Ik wou ik dat ik mijn geld op een makkelijker manier kon verdienen en dat er eens iemand doodging en ons wat geld naliet. Miljonairs in mijn schoonfamilie, maar ik heb er nog nooit een cent van gezien. Mensen die nog een paar jaar te leven hebben en dan voor zeventigduizend gulden hun huis laten verbouwen, de schoften.

Stormenderhand

 

Laat die voortdurende grappenmakerij niet misleidend zijn, want achter de zelfrelativering schuilen wel degelijk twee jonge schrijvers die de Nederlandse literatuur stormenderhand willen veroveren. Zo zijn ze beiden voortdurend in de weer met – al dan niet zelf opgerichte – tijdschriften zoals Blurb, Braak en Podium, terwijl Vinkenoog zich ook nog eens inspant om via allerhande bloemlezingen (zoals het beruchte Atonaal) de nieuwe generatie dichters voor het voetlicht te brengen. Hoewel minder militant, is ook Campert zeer duidelijk op dat vlak: ‘Eerst alle oude pikken uitroeien en ons in geen geval onder hoog patronaat stellen van Hermans of Rodenko.’ En ook voor het Boekenbal heeft kwajongen Remco een plan: ‘Het beste is om daar een mooie groep jongeren te vormen, afzijdig in een hoekje staande, met lans en piket ter zijde, en boe-roepen als wij bv. die suikerzoete Donkersloot zien.’

 

Simon Vinkenoog in de jaren vijftig in Parijs. Foto: Hendrika Riemens

Beide schavuiten zitten dus midden in de actie en kennen elke jonge dichter die ertoe doet, maar er is een duidelijk verschil. Waar Vinkenoog het groepsgevoel juist cultiveert in vlammende essays en inleidingen bij de bloemlezingen, is zijn net iets jongere collega beducht voor de perceptie van een zichzelf prijzend kliekje. Dat leidt soms tot spanningen en Campert roept eeuwige querulant Vinkenoog op om de literatuur ‘niet te ernstig te nemen’, iets waarop die laatste – vanzelfsprekend – furieus reageert:

Wat ik je nog zou willen zeggen is dat je schijnbaar toch al langere tijd met grieven omtrent mijn persoonlijkheidje rondliep en dat het geen dienst is geweest voor een eventuele vriendschap tussen jou en mij dat je die grieven niet eerder kenbaar hebt gemaakt. Dictator-in-spe, burger-op-hol, dom en zo, het kan me niet schelen als ik er maar de waarheid van in zag, en één ding weet je van me: ik ben liever groot in het ridicule, dan klein in het aannemelijker, gezond-verstandelijke, waar jij nu voor schijnt te vallen.

Daarop repliceert Campert dat hij alles niet zo persoonlijk moet nemen. ‘Je moet proberen deze dingen juist elkaar te houden: 1) ik stel prijs op je vriendschap, 2) ik stel geen prijs op je literaire theorieën, die de experimentele poëzie meer kwaad doen dan duizenden Bertus Aafjes.’

 

In dit soort brieven toont zich het fundamentele verschil in temperament en visie tussen beide vrienden, evenals het feit dat een occasionele ruzie ook weer zo’n onmisbaar onderdeel is van een hechte vriendschap. Overigens zijn ze zich daar allebei van bewust. De immer om zich heen schoppende Vinkenoog is immers ‘intens tevreden dat we het toevallig niet met elkaar eens zijn. Waar zouden anders de bestaansreden van een van ons zijn?’ De individualistischere Campert analyseert dan weer goedmoedig ‘dat er tussen ons, bij mijn weten, geen vijandschap bestaat, terwijl ook onze eigenaardigheden (bij mij dus: overdreven zwijgen, bij jou: een gruwelijke kwetsbaarheid) geen voldoende sta-in-de-weg vormen om een zekere vriendschapsband te verhinderen.’ De plooien worden dan ook telkens weer gladgestreken, zoals dat nog zestig jaar lang zou gebeuren.

Zo geven deze brieven niet alleen een impressie van de jonge god Campert, maar ook als het ware lessen voor een tintelende (literaire) vriendschap. Ik kon er als piepjonge dichter slechts van dromen, dus ik weet alvast wat ik mijn debuterende collega’s over zestig jaar zal aanraden: draai wat vaker een sjekkie met je schrijfbroeders en -zusters. Je wordt er moeiteloos negentig mee.