Sebastiaan

Group 4 Created with Sketch.
Luister naar het versje
Dit is de spin Sebastiaan.
Het is níét goed met hem gegaan.

luister!

Hij zei tot alle and’re spinnen:
Vreemd, ik weet niet wat ik heb,
maar ik krijg zo’n drang van binnen
tot het weven van een web.

Zeiden alle and’re spinnen:
O Sebastiaan, nee Sebastiaan,
kom Sebastiaan, laat dat nou,
wou je aan een web beginnen,
in die vreselijke kou?

Zei Sebastiaan tot de spinnen:
’t Web hoeft niet zo groot te zijn,
’t hoeft niet buiten, ’t kan ook binnen
ergens achter een gordijn.

Zeiden alle and’re spinnen:
O Sebastiaan, nee Sebastiaan,
toe Sebastiaan, toom je in!
Het is zo gevaarlijk binnen,
zó gevaarlijk voor een spin.

Zei Sebastiaan eigenzinnig:
Nee, de Drang is mij te groot.
Zeiden alle anderen innig:
Sebastiaan, dit wordt je dood...
O, o, o, Sebastiaaan!
Het is niet goed met hem gegaan.

Door het raam klom hij naar binnen.
Eigenzinnig! En niet bang.
Zeiden alle and’re spinnen:
Kijk, daar gaat hij met zijn Drang!

pauze

Na een poosje werd toen éven
dit berichtje doorgegeven:
Binnen werd een moord gepleegd.
Sebastiaan is opgeveegd.
Bekijk het hele versje
E

en van de weinige versjes van Schmidt dat niet goed afloopt, is ‘Sebastiaan’. De spin met zijn innerlijke drang tot het weven van een web eindigt dood en opgeveegd. Wim Bijmoer kraste hem in 1951 met een paar robuuste halen op papier en schiep daarmee een iconisch beeld: een donkere vlek op kromme poten. Harrie Geelen volgde 44 jaar later met zijn schilderachtige palet een andere koers en liet de winter waarin het vers zich afspeelt een prominente rol spelen door het spinnengezelschap te tooien met kleurige mutsen en Friese doorlopers.

Bij de Zuid-Afrikaanse Piet Grobler in de verzamelbundel Die spree met foete (2002) draagt Sebastiaan dan weer een hoedje met een veer, z’n poten gestoken in broekspijpen met acht verschillende patronen. Z’n bril doet vermoeden dat hij het gevaar niet op tijd zal zien aankomen, wat in de beroemde laatste regels wordt bevestigd. 
 

Noëlle Smit hield het in Ik sta paf! (2012) sober en maakte een minimalistische schildering met gloomy onderwaterblauwe gordijnen waarlangs een nietig spinnetje met ogen als lampionnetjes afdaalt, zijn ondergang tegemoet, terwijl Posthuma in Een vijver vol inkt (2011) niet alleen de spinnenfamilie personificeerde en in de kleren hees, maar ook de ‘moordwapens’ zwabber en stofzuiger een gezicht gaf. In hun blikken niets dan zwijgende afkeuring bij Sebastiaans onaangekondigde bezoek aan hun zindelijk huis. Op de eindplaat, na de omineuze ‘pauze’, maakt het tweetal dan weer een frivool dansje (hoera, hij is dood!) terwijl een in rouw gehulde spinnenfamilie omfloerst staart naar de draad die nu leeg en doelloos omlaag bungelt. 
 

Zijn deze tekenaars erin geslaagd een nieuw ‘klassiek’ beeld voor Bijmoers Sebastiaan te schuiven? Het is niet helemaal eerlijk deze vraag te stellen bij juist die ene tekening die zich zo onwrikbaar in het collectieve geheugen heeft vastgezet als Bijmoers spin. Op harige poten spoedt zijn Sebastiaan zich richting het gebied van het archetypische spinnendom, waarvan nog moet blijken of de andere geleedpotigen er ooit in de buurt zullen komen. Maar een storm van verontwaardiging, zoals Jutte’s Pippeloentje in 1983 veroorzaakte, zal zich niet snel meer voordoen. Jip en Janneke zijn nog altijd van Fiep Westendorp, maar in de eenentwintigste eeuw zijn de versjes niet langer het exclusieve domein van Wim Bijmoer. Daarvoor hebben zich te veel andere, getalenteerde tekenaars over de versjes ontfermd. 

Na zeven decennia is Annie M.G. Schmidt voldoende losgezongen van haar eerste illustrator om ruimte te bieden voor andere beelden – de weg naar nieuwe iconische plaatjes is vrij. 

 

Tekst

Joukje Akveld

Redactie

Jennie Barbier, Carina Brummel, Jef van Gool

Eindredactie

Aafke van Hoof

Versjes voorgelezen door

Elli Bleeker

Vormgeving

Vruchtvlees: Digital, Strategy & Design

Colofon