Een wonderlijke naam voor zoiets aardigs
Scroll naar hoofdstuk 2
Hoofdstuk 2
Het debuut en de reacties

Het debuut en de reacties

 

In zijn vroegste gedichten was Gerrit Komrij een zoeker, die aanvankelijk vooral heel goed wist wat hij níet wilde. Met ‘vroegste gedichten’ bedoel ik niet de bundel Maagdenburgse halve bollen, het debuut. Ook gaat het niet over de ‘vroege Komrij’ – er zijn enkele gedichten die hij al veel eerder schreef en achteraf toch een plek gunde in zijn Alle gedichten tot gisteren. Met ‘zijn vroegste gedichten’ doel ik op het echte jeugdwerk, dat de uiteindelijke bundels nooit heeft gehaald maar waarin hij al eigenwijs was.

Toen Gerrit Komrij poëzie begon te lezen, aan het eind van de jaren vijftig, wist hij één ding zeker: hij was niet dol op de Vijftigers. In de schoolkrant van het Winterswijks Lyceum, Kontakt, was hij niet mild over Remco Campert en Jan Hanlo. Zonder angst en met de onbevangenheid die hem nooit zou verlaten, formuleert hij zijn vernietigende oordeel: ‘geknutsel op laag niveau en het heeft de pretentie geen mens te kunnen bekoren, behalve de dichter zelf’.

Die formulering is interessant, want die suggereert dat Komrij vond dat je met je poëzie rekening moet houden met het publiek. Hij wilde in elk geval zelf niet ontoegankelijk zijn. Gedichten moeten niet alleen de dichter, maar ook de mensen ‘kunnen bekoren’. Misschien rijmen zijn gedichten daarom, hoe houterig het resultaat soms ook is. Rijmende poëzie heeft eerder dan het experiment de neiging de lezer aan te spreken.

 

op een populier
zit ik met een blik
alsof ik in mijn vier
kinderen stik

Maar juist vanwege die houterigheid krijg je meteen al het idee dat er een spelletje wordt gespeeld. En dat geldt voor meer gedichten die hij via het lyceumblad zou publiceren. Want zou hij dat nou gemeend hebben, wanneer hij over het kerstfeest schrijft: ‘Dààr / in de kribbe / ligt de juistgeboren, / lang-verwachte, / heilige / Heiland’? Met de kennis van nu is het makkelijk om te zeggen dat we deze feestzang vermoedelijk met een korreltje zout moeten nemen.

Wat hij wél bedoelde, blijft onduidelijk. Hij maakte een pastiche op een sonnet van Willem Kloos, experimenteerde met het paginabeeld, en stelde vast dat hij in feite bezig was ‘uit vele gezegden een nieuwe basis’ te boetseren. Hij is op zoek naar een vorm dus.

 

In 1963 ‘verscheen’ een velletje met vier gedichten, van elk twaalf regels: een lengte die hij zijn hele poëtische carrière opmerkelijk trouw zou blijven. Wanneer hem twintig jaar later naar die gedichten wordt gevraagd, is hij er streng maar tegelijk mild over. Het is een ‘vodje’ maar er zitten ‘elementen in die later uitgekookter zouden worden’. Eigenlijk – beweert hij – was hij vooral geïnteresseerd in de typografie, en misschien nog meer in de typograaf: ‘Ik wou hem, als zogenaamde vriend van de typografie, op de vingers kijken – omdat hij zulke mooie vingers had,’ schreef hij aan Kees de Bakker, die een boek maakte over debuten.

In 1964 begon hij aan een reeks gedichten die ‘Mijn minnaars’ ging heten. Melancholieke gedichten, gegoten in een strakke vorm in dat wat nadrukkelijke, soms zelfs klunzige rijm dat erg naar zichzelf verwijst:

 

Ik heb mijn laatste slaap
door biechten komt de aap
uit de mouw. Dus zie je hem?
ik zit alleen maar klem.

Dit werk zou Komrij jaren later nog wat feller van zich afwerpen: ‘Een jeugdgevalletje dat ik vijfentwintig jaar geleden al te gênant vond om te publiceren.’ Toen het typoscript opeens opdook bij een antiquariaat, deed Komrij zijn best om het werk af te doen als een jeugdzonde, waarvoor alleen belangstelling was ontstaan omdat de latere Komrij zo’n serieuze dichter zou worden. Een ‘debuut’ mocht de handelaar het eigenlijk niet noemen. Toch bleven enkele dingen steeds bovendrijven: de structuur, de liefde als onderwerp, de anekdote als voertuig en de humoristische relativering die de angel uit scherpe observaties haalde.

Tussen 1964 en 1968 deed Komrij verwoede pogingen om zijn werk gepubliceerd, en uiteindelijk uitgegeven te krijgen. Een afwijzing van Avenue schrikt hem niet af, en wanneer hij het ruim een halfjaar later bij datzelfde tijdschrift nog eens probeert, wordt zijn uithoudingsvermogen beloond. Ook Maatstaf publiceert na aanvankelijke terughoudendheid gedichten van hem, en hij zou later toetreden tot de redactie.

 

En zo groeit in de tweede helft van de jaren de dichter die uiteindelijk, vrijwel volgroeid, in 1968 opdook uit de debuutbundel Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten. Op deze site staat een artikel van Marc van Zoggel waarin prachtig te zien is, op basis van het materiaal dat Komrij zelf heeft bewaard, hoe zorgvuldig en geduldig Komrij op zoek was naar de juiste vorm, toon, samenstelling.

 

Dodenpark

We wandelden des avonds door de tuinen
Van het crematorium; achter heg en hazelaar
Stond laag de vroege maan; ik at wat kruimels
Van mijn vest en jij genoot van een sigaar.

Je dacht wellicht aan zeer bezwete negers
Op hete plantages in de weer.
Ook aan Je gezicht meende ik zoiets af te lezen.
Ikzelf keek door de heg naar de maan.

We spraken niet. Wat viel er ook te zeggen?
We dachten maar aan een maan en aan zweet.
O, nergens heerste er ooit zo’n rust. Slechts
Af en toe klonk uit een urn een kreet.

Dood, maanlicht, vergeefse liefde – en dan met een verrassende en absurde wending die een komisch effect teweegbrengt: geen wonder dat Komrij in het begin met Piet Paaltjens werd vergeleken. Hij bewonderde hem zeker: in Papieren Tijgers stelt hij vast dat Paaltjens samen met De Schoolmeester de enige dichters zijn uit de negentiende eeuw die blijvend gelezen worden.

Het was een houvast dat recensenten graag oppikten. Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten wordt overigens goed ontvangen door bijvoorbeeld C. Buddingh’, die Komrij ‘de belangwekkendste debutant’ van dat moment noemt. Maar er is ook kritiek, bijvoorbeeld van poëziebobo Ad den Besten, die in een overzichtsstuk met nieuwe dichtbundels fel uithaalde: ‘in grollen verpakte weerzin tegen het leven. Rijmende gedichten zijn het nota bene’, maar dan wel ‘blijkgevende van die versificatorische onwetendheid en onmacht, die men na zó lange verwaarlozing van het prosodische gedicht vrezen moet.’

R.L.K. Fokkema buigt zich in De Tijd met zowel bewondering als reserve over Komrij’s eersteling, die ‘telkens toch de lezer aan het lachen [weet] te krijgen door zijn merkwaardige woordkeus, zijn dwaze ritme, zijn ogenschijnlijke ernst. […] Weliswaar vertelt hij lariekoek, maar de consequente toepassing van zijn principe laat vermoeden dat hij dat zelf doorziet. Met andere woorden, de prullen hebben zo hun eigen charme.’

De aarzeling hem helemaal serieus te nemen, cultiveert Komrij, zoals in dit interview met Hanneke Holzhaus uit 1982 (ook De Tijd), waarin hij terugkijkt: ‘Je kunt rustig stellen dat in mijn gedichten geen enkel woord staat dat niet ironisch is. Zoals ik trouwens ook nooit iets zég dat niet ironisch is. Ik moet er alleen wel voortdurend mijn bloedernstige gezicht bij in de plooi zien te houden.’

Hier zet hij vol overtuiging het masker van de onkwetsbare op, maar die negatieve recensie van Den Besten kwam waarschijnlijk toch hard aan. De aflevering van het tijdschrift waarin het stukje stond bewaarde hij bij het handschrift van het debuut.

Bovendien stond er vanaf dat moment een rekening open die in de loop der jaren steeds venijniger werd vereffend. In 1970 heette Den Besten nog ‘Den Besten, onze producent van luchtbellen’. Hij citeert uit de betreffende recensie de regels waarin Den Besten uitlegt dat Komrij zich ‘“gretig bedient van het wansmakelijk vocabularium van een tot openbaar aanzien verheven subcultuur”, een voortreffelijke zinsnede, waarvan ik de diepere betekenis na al die tijd nog steeds niet heb kunnen achterhalen,’ becommentarieert Komrij. Tien jaar later opent de essaybundel Averechts met een stuk waarin beschreven wordt hoe Den Besten er met stokslagen van langs krijgt, deze ‘pathosverheerlijker, heiligegloedaanbidder en hollewoordenopnaaier van gereformeerden huize’.

Het kostte Komrij soms moeite zijn gezicht in de plooi te houden. Want alle ironie, Paaltjens-achtige humor en een grote mond terzijde, hij meent het, als dichter. Sterker nog, hij beschreef ooit letterlijk hoe hij zich op romantische wijze tot het dichterschap geroepen voelde.