‘Deze kleine zachte wereld moet ik weer waardig worden’ – Het bevuilde woord van Jo Boer

Door omstandigheden gedwongen begon Jo Boer met schrijven. Op het hoogtepunt van haar schrijverscarrière, omstreeks 1948, vertelt ze in een lezing prachtig over haar ambivalente houding tegenover de taal. Is het wel aan de schrijver om het woord te ontdoen van het vuil dat de mensen er op hebben geplakt?

 

Voor Jo Boer, wier bekendste roman Kruis of munt (1949) recentelijk opnieuw is uitgegeven, was het allesbehalve vanzelfsprekend dat ze zou gaan schrijven. Uit een lezing die ze omstreeks 1948 hield, en waarvan het manuscript in het bezit is van het Literatuurmuseum, vertelt ze prachtig over haar ambivalente houding tegenover de taal. 


Boer was schilder, ze volgde in haar jeugd tekenlessen bij Chris Lebeau, Jan Toorop en later bij Charley Toorop. Ze ging om met beeldend kunstenaars als Piet Mondriaan, Kees van Dongen en Ossip Zadkine, maar ook met schrijvers als Adriaan Roland Holst en Hendrik Marsman. 

 

Jo Boer. Foto: collectie Literatuurmuseum

 

 

 

Noodgedwongen, zoals ze zelf zegt, begint Jo Boer in 1932 met schrijven, wanneer ze ernstig ziek een jaar lang in Italië aan bed gekluisterd is. Noodgedwongen, want taal was zacht gezegd niet haar eerste keuze als het ging om haar kunstenaarschap: ‘Ik vrees zowel het geschreven als het gesproken woord als het gevaarlijkste werktuig, dat de moderne mens in handen heeft; wij kunnen er mee kwetsen en wonden, bovendien is het het werktuig voor de leugens op grote schaal.’ 

 

 

‘Ik vrees zowel het geschreven als het gesproken woord als het gevaarlijkste werktuig, dat de moderne mens in handen heeft’

 

 

Maar dat jaar in bed waren de woorden ‘het enige, helaas volkomen abstracte materiaal, dat mij nog ter beschikking stond’. De teksten die ze daar schreef, vormden de basis voor haar debuutroman Catharina en de magnolia’s

 

Boers schrijven komt voort uit de noodzaak zich te verhouden tot belangrijke onderwerpen die zich aandienen in haar leven. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had ze heimwee naar Europa, dat onbereikbaar voor haar was geworden. Ze woonde de eerste oorlogsjaren met haar vriendin in Bou Saâda, een klein woestijnstadje in Algerije. Daar werkte ze aan een gobelinwerk met als thema het Laatste Avondmaal, wat betekende dat ze zich moest verhouden tot ‘het oude Christelijke mysterie’. Goed, kwaad en God waren thema’s voor haar om al schrijvende haar gedachten over te laten gaan.

 

Met schrijven kon ze de onverschillige woorden, die ‘op de bodem der ziel liggen, waar zij langzamerhand gaan rotten en ons vergiftigen met hun ziekelijke dampen’, te lijf gaan. Door te schrijven, kon ze haar kwade geesten bezweren en uitdrijven, iets wat haar in het schilderen niet lukte.

 

‘De woorden voegden zich naar mijn wil, soepel, elastisch, lieten zich rekken en trekken en draaien en buigen (…) De verf weigerde meestal zich te onderwerpen aan mijn wil. Ieder schilderij werd een lange strijd tussen de verf en mijzelf.’ 

 

Maar die plooibaarheid van de taal maakte dat Jo Boer opnieuw wantrouwend werd tegenover de literatuur. ‘Juist die elasticiteit, dat charmerende element, dat mensen lokte en wegleidde van de werkelijkheid, beviel mij niet. Ik haat iedere vorm van lyriek.’

 

 

‘De woorden voegden zich naar mijn wil, soepel, elastisch, lieten zich rekken en trekken en draaien en buigen’

 

 

Twee keer in de lezing citeert ze uit het evangelie van Johannes: In den beginne was het woord. En het woord was bij God. 


Dit is het dilemma waar Jo Boer mee worstelt: het woord waar ze zoveel moeite mee had, waar ze voor waarschuwde en dat ze zag als een gevaarlijk werktuig, dat woord was ook goddelijk materiaal. Ze vraagt zich af of het aan de kunstenaar, de schrijver is, om het woord van het vuil te ontdoen dat de mensen ‘er op hebben geplakt’. Of dat het hiervoor te laat is. En mocht het te laat zijn, is het dan de plicht van de schrijver ‘om een geheel nieuwe woordorde samen te stellen, die het oorspronkelijk begrip der dingen zo dicht mogelijk benadert’?


Naar eigen zeggen heeft ze slechts één keer de woorden hun werkelijke waarde weten terug te geven. Dat was in het verhaal ‘De Bruidsnacht’ uit de bundel De vertroosting van het troosteloze (1947), dat ze tijdens de lezing voorleest. Het gaat over een jongetje en een meisje die inbreken in een huis en daar, dronken van de port die ze drinken, bij een stervend haardvuur tegen elkaar aan in slaap vallen. Het verhaal is met een grote zintuiglijkheid geschreven en bevat veel beeldende natuurbeschrijvingen.

 

Met dit verhaal doet Boer een poging het oude, kleine domein van de edele, goddelijke taal te betreden. Hoe ziet dit domein eruit? Flauwtjes, schrijft ze, doemt het voor haar op.

 

‘Er brandden wat kaarsjes op een kerstboom en een roze wassen engeltje bibbert op de warmte van de lichtjes. Deze kleine zachte wereld moet ik weer waardig worden en daarna moet ik netjes schoongepoetste woorden vinden, die deze wereld beschrijven, en die u allen als de broodkruimeltjes van Klein Duimpje de weg zullen wijzen naar verborgen paradijzen waarnaar wij allen hunkeren.’

 

Jo Boer, zittend bij de open haard in de Rue Francois Premier in de jaren 50. Foto: collectie Literatuurmuseum

 

Bekijk de hele lezing van Jo Boer