Het Literaire Werk 2.0

Het creatieve proces en de digitale wereld

Hoe komt een tekst tot stand? Voor het beantwoorden van die vraag hebben onderzoekers eeuwenlang kladjes en handschriften van schrijvers en dichters bestudeerd, in de hoop een glimp op te kunnen vangen van het creatieve proces. Er zijn boekenkasten volgeschreven over de inzichten die dat heeft opgeleverd. En over de sensatie om over de schouder van een schrijver mee te kunnen kijken.

 

Met de intrede van de computer in de werkkamer van de schrijver dreigt deze mogelijkheid te verdwijnen. Immers: een tekstverwerker laat nauwelijks sporen na. Doorhalen, toevoegen, knippen en plakken: de ene versie wordt ingewisseld voor een compleet andere, zonder dat er één bewijs van op papier komt. Laat staan bewaard wordt.

 

‘Met het digitale tijdperk begint de jaartelling opnieuw,’ zei Tommy Wieringa in het tv-programma Nieuwsuur, ‘namelijk met de digitale manieren van schrijven en bewaren.’ Met de eerste kladversie van Joe Speedboot in de hand geklemd verzette hij zich tegen het verdwijnen van het papieren schrift. Zo’n handschrift was tenminste persoonlijk. En blijvend: ‘Je stopt het in een doos en het is daar – als de inkt niet vervaagt – voor eeuwig.’

 

Wie schrijft er nog met een pen?

In een uitzending van Nieuwsuur kwam Tommy Wieringa aan het woord over de toekomst van het handschrift. De aanleiding was het Finse besluit om kinderen op school niet meer met een pen te laten schrijven. ‘Dédain voor het handschrift, alsof het iets van vroeger is,’ vond Wieringa.

 

‘Dat is wel een hele zuivere individuele expressie, zo’n handschrift. En wat je in handschrift hebt, het eerste boek van Joe Speedboot bijvoorbeeld, kun je als zodanig ook heel goed bewaren. Je stopt het in een doos en het is daar – als de inkt niet vervaagt – voor eeuwig. Dat is met het digitale tijdperk veranderd. Met het digitale tijdperk begint de jaartelling opnieuw, namelijk met de digitale manieren van schrijven en bewaren. Alles daarvóór staat onder druk, hele bibliotheken verdwijnen…’

 

> Bekijk het hele fragment

 

Het einde van een tijdperk?

Sommige onderzoekers delen Wieringa’s pessimisme en voorspellen ‘het einde van een tijdperk’ voor onderzoek naar het ontstaan van literatuur. Anderen maken zich minder zorgen, maar constateren wel dat we de gevolgen van de digitale omwenteling eigenlijk nog niet kunnen overzien.

 

 

Om die reden is het project ‘Het Literaire Werk 2.0’ gestart, een onderzoek naar de schrijf- en bewaargewoontes van hedendaagse literaire schrijvers. Om erachter te komen hoe zij te werk gaan worden verschillende methoden en technieken ingezet: steekproefsgewijs met een enquête onder een grote groep auteurs en heel specifiek door een aantal van hen daadwerkelijk digitaal te gaan volgen tijdens het schrijven.

Over het onderzoek

'Het Literaire Werk 2.0' is een onderzoek van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (KNAW) in samenwerking met de Universiteit Antwerpen. Het project wordt uitgevoerd door Floor Buschenhenke, begeleid door Peter de Bruijn en Peter Kegel.

 

De eerste bevindingen uit het vooronderzoek – een enquête – worden op deze pagina in een aantal citaten en figuren weergegeven. In totaal hebben 160 schrijvers de enquête ingevuld. Bij sommige vragen konden meerdere opties worden gekozen (in die gevallen kan de totaalscore dus boven de honderd procent uitvallen).

 

> Ga naar de website van Huygens ING

 

Het schrijven met pen en papier

lijkt toch een directere verbinding

te geven met mijn hersenen.

 

 

 

Achtergrond

Het onderzoek naar het ontstaan van de hedendaagse literaire tekst vindt plaats binnen de context van de onderzoeksdiscipline editiewetenschap, die internationaal opereert onder de naam Textual Scholarship. Textual Scholarship richt zich op het ontstaan en de overlevering van teksten en andere media, én op de verspreiding en het functioneren daarvan, vanaf de vroege oudheid tot nu.

 

Een deel van dat onderzoek resulteert van oudsher in tekstedities. Daarbij wordt de tekst- en publicatiegeschiedenis van een werk in kaart gebracht, vaak op basis van een grote hoeveelheid handschriften, drukproeven en overgeleverde (onderling verschillende) drukken. Een van de lopende editieprojecten van het Huygens ING is de uitgave van de Volledige Werken van Willem Frederik Hermans. Vergelijkbare edities op het gebied van de (moderne) Nederlandse literatuur zijn de Volledige Werken Louis Couperus, het Verzameld Werk van Willem Elsschot en Alle Gedichten van Gerrit Achterberg. Ook zorgde het instituut voor de complete uitgave van De Brieven van Vincent van Gogh (ook online raadpleegbaar).

 

 

 

Het schrijfproces

Naast deze meer traditionele aandacht voor de tekst als product is er bij het tekstgenetisch onderzoek een toenemende belangstelling voor het functioneren van tekst als proces. Centraal staan dan vragen als: hoe komt een bepaalde literaire tekst tot stand, hoe werkt het schrijfproces bij een specifiek auteur, hoe ontwikkelt het zich door de tijd heen (ook in vergelijkend perspectief, per genre of stroming) en hoe beïnvloeden de afzonderlijke versies van een literaire tekst de interpretatie en waardering ervan?

 

Het bestuderen van ‘kladjes’, vroege typoscripten, drukproeven en opeenvolgende drukken van een werk kan hier waardevolle informatie bieden. Zo heeft het onderzoek naar modernistische teksten van Robert Musil, Samuel Beckett en James Joyce niet alleen veel nieuwe inzichten in de werkpraktijk van deze schrijvers opgeleverd, maar ook nieuwe interpretatiestrategieën voor hun teksten.

 

‘Ik maak geen aantekeningen.

Als iets goed is, komt het vanzelf weer

terug op de juiste plaats (hoopt men).’

 

Literair laboratorium

De manier waarop schrijvers te werk gaan bevindt zich traditioneel tussen twee uitersten. Aan de ene kant – met de cahiers van Tommy Wieringa's Joe Speedboot als uitgesproken voorbeeld – zijn er de zogenoemde Papierarbeiter, bij wie het literaire werk ontstaat in een oneindige reeks van kladjes, met veel doorhalingen en herzieningen, soms nauwelijks leesbaar. Daartegenover staan de Kopfarbeiter of ‘denkende’ schrijvers. Bij hen speelt het schrijfproces zich voor een groot deel in het hoofd af, met als gevolg verhoudingsgewijs weinig manuscriptversies, die bovendien vrij eenduidig te interpreteren zijn. Zoals het hierboven getoonde handschrift van Reve's De Avonden.

 

Binnen dit spectrum kan een schrijver er verschillende werkwijzen op nahouden, afhankelijk van het type tekst dat hij schrijft (genre, lengte) of de fase in het schrijfproces (voorbereiding, schrijven/herschrijven, afwerking). Ook kan de werkwijze van een auteur gaandeweg veranderen. Met al dit soort variabelen moet rekening worden gehouden.

 

Op inhoudelijk vlak zijn een groot aantal vragen relevant: hoe organiseert een schrijver zijn plot? In hoeverre werken associatie en compositie op elkaar in? Hoe krijgt een vertelling de juiste toon, hoe ontwikkelt zich het discours van een tekst? Hoe worden karaktereigenschappen verdeeld over de verschillende personages van een roman? Hoe beïnvloedt de ene tekst de andere, het ene oeuvre het andere? Hoe persoons- of genregebonden is een schrijfstijl eigenlijk? En welke gevolgen heeft de kennis van de werkpraktijk voor de betekenistoekenning door de lezer?

 

‘Ik schreef altijd op de typemachine,

tot er geen linten meer te vinden waren...’

 

Digitaal werken en lezen: nieuwe vragen en uitdagingen

Onderzoek naar het werk van hedendaagse auteurs brengt nieuwe vragen en uitdagingen met zich mee. Allereerst: werken schrijvers van nu eigenlijk nog wel op papier, of komt hun werk geheel en al digitaal tot stand? En, in dat geval, wat gebeurt er met eerdere versies van een tekst (schema’s, aantekeningen) wanneer een schrijver werkt met programma’s als Word, Open Office of Evernote? Worden voorversies eigenlijk nog wel bewaard? En als dat al gebeurt, in hoeverre blijft het materiaal dan voor een langere periode toegankelijk? Wat kan een digitaal schrijversarchief zoals dat van Salman Rushdie opleveren: zijn de ‘files’ überhaupt nog leesbaar, is de ontstaansgeschiedenis van een afzonderlijk werk wel herleidbaar, en hoe dit materiaal te archiveren voor toekomstig onderzoek? 

 

Digitale productie van een literaire tekst heeft mogelijk nog heel andere consequenties: leidt een digitale werkpraktijk tot nieuwe vormen van literatuurproductie? Welk effect heeft de directe en onbeperkte toegang tot de encyclopedische rijkdom van het internet op de productie van de literaire tekst? Wat doet een schrijver met alle beschikbare persoonlijke informatie die hij/zij zich via de sociale media kan toeëigenen en wat doen die sociale media met de schrijver en zijn/haar tekst? Leidt een digitale productie- en publicatieomgeving ook tot een andere literatuurconsumptie? Hoe lineair is de productie en consumptie van literaire tekst nu en in de toekomst? En is dit een onomkeerbaar proces of verandert er minder dan we denken als schrijvers als Jonathan Franzen of – dichter bij huis – Ernest van der Kwast zich juist expliciet afsluiten voor deze digitale rijkdom?

‘Ik kan net zo goed in een mortuarium schrijven’

In de serie ‘De Schepping’ laat dagblad Trouw kunstenaars aan het woord over hoe en waar hun werk tot stand komt. Schrijver Ernest van der Kwast kiest voor elke roman een andere werkplek uit. Zijn nieuwe roman schrijft hij in het kleinste brugwachtershuisje in de Rotterdamse Parksluizen: een glazen hokje van acht vierkante meter, zonder wc. Maar het kan nog altijd extremer, vertelde hij in het interview.

 

'O, ik kan net zo goed in een mortuarium schrijven. Ik kan op de raarste plekken werken. Mijn roman “Giovanna’s navel” heb ik in een slachthuis in Italië geschreven. Nu ben ik de zoon van een patholoog-anatoom, dus ik schrik niet zo snel van bloederige taferelen. Aan mijn vorige boek “De ijsmakers” heb ik gewerkt vanuit een voormalige dienstbodewoning. Dat beviel goed. Ik zit hier maar tijdelijk, ik overweeg sterk om opnieuw in die woning te gaan zitten. Het maakt me niet veel uit waar ik schrijf, als ik maar geen internet tot mijn beschikking heb, dat leidt te veel af. Ik zit ook niet graag thuis te schrijven. Daar ga ik andere dingen doen. Ik ben een tamelijk vlijtige huisman, mijn vriendin is verloskundige, dus ik ben de vliegende kiep thuis. Wat dat betreft is er met de emancipatie wel iets veranderd voor een schrijver. Louis Couperus hoefde geen luiers te verschonen en kon al om twaalf uur op een terrasje gaan zitten. Ik doe de was of de strijk maar boeken en kranten vormen thuis ook een verleiding. Ik ben ook veel tijd kwijt aan mail die de hele dag binnenkomt. Dat heb ik hier niet. Ja, mijn telefoon heb ik hier. Maar kijk: Facebook en Twitter zijn er al af. Al kan het altijd extremer; Jonathan Franzen had voor hij ging schrijven zijn wifi-kaart uit zijn laptop gesloopt, las ik. Rust, daar gaat het om.'

 

> Lees het hele interview

 

Big Brother

Het verloop van het onderzoek zal op deze site te volgen zijn. Ongetwijfeld hoogtepunt – voor de onderzoekers in ieder geval – vormt het experiment waarin vier auteurs de opdracht krijgen om een kort verhaal te schrijven terwijl alles geregistreerd wordt. Op hun computer wordt een programma geïnstalleerd dat elke toetsaanslag en muisklik vastlegt, dat de beweging van het oog over het beeldscherm registreert en achteraf ook kan vertellen welke internetpagina’s er tijdens het schrijven zijn bezocht. En of er misschien ‘stiekem’ tekst geknipt en geplakt is.

 

 

 ‘Als bron raadpleeg ik vooral boeken!

Jullie waren ze vergeten, maar

die bestaan ook nog!’

 

Over Inputlog

Het programma Inputlog is ontwikkeld door wetenschappers van de Universiteit van Antwerpen om het digitale schrijfproces te documenteren. Het is tot nu toe vooral gebruikt bij onderzoek naar schoolopdrachten en zakelijke teksten, zoals opstellen en emails. In het kader van ‘Het Literaire Werk 2.0’ wordt het ingezet voor het registreren van literaire teksten. Het programma legt elke toetsaanslag en muisbeweging vast binnen een Word-document, en houdt tot op de milliseconde bij hoe lang er gepauzeerd wordt. Verwijderde tekst wordt feilloos teruggehaald en knip- en plakwerk van internet onverbiddelijk als zodanig herkend.

 

> Meer informatie over Inputlog

Tijdens de voorbereiding van het onderzoek is de software getest die we voor het experiment willen gaan gebruiken. Dat gebeurde in een ‘gecontroleerde opstelling’: een vaste setting, met een speciaal geselecteerde groep aspirantschrijvers en een vooraf geprepareerde laptop.

 

Bij het echte experiment in februari willen we de schrijvers zo veel mogelijk in hun natuurlijke habitat laten werken. Van veel schrijvers is immers bekend dat de werkplek óók van invloed is op het creatieve proces. Ook willen we weten: wat doet een schrijver tussendoor voor andere dingen? Laat hij/zij zich afleiden door bijvoorbeeld de krant, telefoon of social media? Of is hij/zij bewust offline?

 

 ‘Of ik bereid ben mijn schrijfproces

te laten registreren? Zijn jullie

helemaal gek geworden?!’

 

 

 

Ethische dilemma’s en technische uitdagingen

Hoe ver we hier uiteindelijk in kunnen gaan is vooralsnog een open vraag. Technisch gezien is alles mogelijk – telefoontaps, webcam – maar hier raakt het onderzoek wel aan ethische beperkingen in verband met de privacygevoeligheid. Zijn de schrijvers bereid om echt het achterste van hun tong te laten zien?

 

Hetzelfde geldt voor de feitelijke informatie die het experiment oplevert: is een schrijver zich er eigenlijk wel van bewust dat zijn geploeter op een tekst tot op de milliseconde gereconstrueerd blijkt te kunnen worden? Is hij/zij bereid zijn computerbestanden aan het Literatuurmuseum af te staan, met de kans dat toekomstige onderzoekers daar veel méér informatie uit halen dan nu is te overzien?

 

Hier liggen ook de technische uitdagingen van dit project. Veel vragen zijn toekomstmuziek, want het onderzoek staat nog in de kinderschoenen. We weten nog niet welke ‘data’ we zullen aantreffen. Of wat er valt af te lezen uit de digitale bestanden van een literair werk. Of hoe het Literatuurmuseum dergelijke bestanden eigenlijk zou moeten archiveren.

 

Maar: het begin is er. Benieuwd naar het vervolg? Via deze site houden we je op de hoogte van onze bevindingen!

 

Handschrift Louis Couperus, De stille kracht

 

Bent u zelf schrijver en wilt u alsnog

meedoen aan de enquête? Klik hier.

Het invullen kost ongeveer 10 minuten.

 

Colofon

tekst  PETER DE BRUIJN, FLOOR BUSCHENHENKE, PETER KEGEL

interviews schrijvers  JET STEINZ

film  JUDITH VEENENDAAL

Toon verantwoording

Met dank aan...

Speciale dank aan WALTER VAN DEN BERG, THOMAS HEERMA VAN VOSS, BREGJE HOFSTEDE en ALMA MATHIJSEN 
voor hun bereidheid deel te nemen aan het experiment '4 weken, 4 verhalen',

inclusief alle ongemakkelijke verplichtingen die daar soms bij horen.

Verder dank aan alle SCHRIJVERS die hebben bijgedragen aan het onderzoek,
hetzij door het invullen van de enquête, hetzij door hun bereidheid deel te nemen aan het vervolgonderzoek. 
Voor deelname aan de Inputlog-testsessie bedanken wij de STUDENT-SCHRIJVERS van de bachelor-opleiding Creative Writing van
ARTEZ Hogeschool voor de kunsten te Arnhem, en hun docent FRANK TAZELAAR.

Voor het gebruik van Inputlog en voor hun constructieve inbreng bij het opzetten van het onderzoek danken wij
LUUK VAN WAES en MARIËLLE LEIJTEN van de Onderzoeksgroep Management van de Universiteit Antwerpen (UA).
Vanuit dezelfde universiteit was ook DIRK VAN HULLE (Centre for Manuscript Genetics)
betrokken bij de voorbereiding, waarvoor dank.

De coördinatie tussen onderzoek en presentatie op literatuurmuseum.nl was in handen van
IRMA BENLIYAN (Letterkundig Museum), die bij het werven van de vier schrijvers

werd bijgestaan door TOINE DONK (Das Magazin).

 

Illustratieverantwoording

Foto Thomas Heerma van Voss: © JOËL FRIJHOFF, Amsterdam.

Foto Joe Speedboot-cahiers: © MICHIEL SPIJKERS, Utrecht.

Met speciale dank aan TOMMY WIERINGA voor zijn

toestemming deze afbeelding te mogen gebruiken.

Foto's overige manuscripten: © LETTERKUNDIG MUSEUM, Den Haag.

Infographics: © VRUCHTVLEES / RINDOR GOLVERDINGEN.